Op zoek naar middelen en methodes om persoonlijke inzichten en gevoelens tot uitdrukking te brengen ontstaat het Kubisme. Kubisme kan gezien worden als een onderzoek naar de formele aspecten vorm en ruimte. Pablo Picasso en George Braque zijn de kunstenaars die zich hier intens mee bezig houden.
Picasso laat zich vanaf 1907 sterk beinvloeden door de kunstuitingen van primitieve volken na het zien van een expositie in het ethnografische museum in parijs. Hij ziet dat de kracht van die sculpturen zit in de bijzondere vorm. Vanaf de Rennaissance heeft vorm altijd in dienst gestaan van de natuurlijke voorstelling. Alle onderzoek dat werd verricht, geschiedde met het oog op perfectionering van de weergave van de uiterlijke verschijningsvorm. De klassieke norm was maatgevend. Bij de kunst van de primitieve was iets heel anders aan de hand. Het ging hun om de inhoudelijke werkelijkheid ervan.
Een andere inspiratiebron was Cezanne. Was Picasso geinteresseerd in het monumentale van de schilderijen van Cezanne, Braque heeft meer interesse in de gemetselde schilderingen van de berg sainte victoire. In zijn schilderingen van het stadje legt hij zich een beperking op in kleur waardoor er meer eenheid komt in vorm. Hij ondoet het landschap van zijn natuurlijke vorm, dieptewerking en volume. In plaatst daarvan verandert hij het ten gunste van de duidelijke vorm, de platheid van het vlak en de compositorische samenhang. Hij gebruikt de kubus als grond vorm. Eerst ligt de nadruk alleen op de grondvorm later gaat men deze analyseren en onstaat er steeds meer detaillering. Hieruit volgt het analytisch kubisme. Bij deze vorm van Kubisme laat de schilder de vorm van verschillende kanten zien; een 3dimensionale vorm wordt opengeknipt en uitgevouwen om vervolgens als platte voorstelling toch ruimtelijk te zijn.
Het object wordt niet meer volgens de regels van het persectief getoond. Ook het licht en de schaduw worden omwille van de vorm veranderd.
In navolging van de Kubisme ontdekte David Hockney een soortgelijke kubistische werking van zijn beeld. Zijn fotocollages werken als kubistische werken, waarbij wederom elementen als ruimtelijkheid, perspectief en tijdsverloop op een nieuwe wijze worden verbeeld.
De collages zijn zeer fragmentarisch opgebouwd en laten zich tegelijkertijd lezen als 1 totaal beeld.
Hiermee legde hij eigenlijk -in eerste instantie onbewust- de werking van ons oog bloot. Als we ergens naar kijken dan registreert ons oog allerlei elementen en aandachtspunten die in ons gezichtsveld aanwezig zijn. De hersenen voegen dit weer samen tot 1 totaalbeeld. Door het totaalbeeld in zoveel stukjes op te breken zorgt zijn werk voor een ontleding van dat beeld waarbij de kijker bewust wordt van de verschillende onderdelen die samen wel weer een totaal beeld vormen. Een voordeel van deze benadering is dat de maker bepaalde delen groter ruimtelijker aanweziger kan laten lijken en andere minder relevante delen ondergeschikt kan maken of weg kan laten.
Om kubistisch te werken belanden we al snel in een samengesteld beeld dmv collage. Daarmee kunnen we wel een aantal kubistische kernwaarden in het werk naar voren laten komen:
• Verandering van perspectief binnen de collage (bijvoorbeeld van kikvorsperspectief naar vogelvluchtperspectief)
• veranderingen van standpunt (zowel achter als voorzijde)
• vergrotingen van bepaalde delen zodat ze dichterbij lijken, of belangrijker lijken.
• Tijd en beweging kunnen een rol gaan spelen.
• Je kan spelen met licht & schaduw, overdreven contrasten
• verschuiven van dimensies. van 3dimensionale werkelijkheid naar een2dimensionale werkelijkheid kan gaan.



