over visuele communicatie en vormprincipes

D.I.Y.

? De DIY mentaliteit is nu zo ver doorontwikkeld en breed geaccepteerd dat we misschien weer elementen van vakmanschap en kennis terug moeten brengen in vormgeving.  ?

Met andere woorden: omdat iedereen toegang heeft tot het maken van beeld is het aanbod extreem groot en is de kwaliteit moeilijker vindbaar.  Hoe kunnen we die kwaliteit nu herkennen  en op waarde schatten? En hoe kunnen we die kwaliteit in eigen werk toepassen?

De afgelopen 10-15 jaar zijn er steeds meer mogelijkheden gekomen tot het zelf publiceren en maken van beeld. Het is toegankelijk voor een grote groep mensen. De algehele aanwezigheid van pc’s en software heeft hier een belangrijke bijdrage aan geleverd. De DIY mentaliteit is niet meer alleen voor een kleine groep radicalen/alternatieven. Het internet staat vol (illegale) software, voor iedereen bereikbaar . Ook zijn er online vele tutorials te vinden om de techniek en skills op eenvoudige wijze te leren. Het is mainstream geworden. Dit betekent dat ook zonder basiskennis snel en relatief eenvoudig beeld te maken is.

Ofwel; de afgelopen periode is er éen waarin ieder beeld kan produceren zonder enige voorkennis van wat beeld is, hoe beeldtaal werkt en welke principes eraan tengrondslag liggen. We zien dit ook terug in de manier waarop journalistiek bedreven wordt. Informatie en nieuws zijn steeds vaker  direct en overal beschikbaar. Vaak ook dankzij amateur bijdragen. Objectieve verslaggeving en diepgaande dossier kennis lijden daar echter wel vaak onder. Er is steeds meer van alles beschikbaar, maar de kwaliteit is daardoor vaak wel minder.
Naast dat deze vlucht aan hoeveeldheid informatie en beeld door de digitale revolutie mogelijk werd, is er ook het gevolg van de opeenvolging van de kunstromingen van de afgelopen eeuw (en iets meer) met het postmodernisme als laatst gedefinieerde stroming.

Sinds begin vorige eeuw is de tendens in de kunst (en het maken van beeld)  om voorgaande stromingen en de manier waarop we beeld ervaren in twijfel te trekken. Beelden werden minder realistisch dan de schilderijen uit de renaissance. Men leerde op andere manieren kijken. Het  belang van (mathematisch)perspectief en verdwijnpunten werd kleiner. Kleurgebruik ging steeds meer over gevoel dan over hoe we de kleuren fotografisch waarnamen. Techniek ging steeds meer over het gebruik van materialen en minder over de anatomische techniek. Het concept en de gedachte van een beeld werd belangrijker dan de vorm en de letterlijke verbeelding ervan etc.

Misschien kunnen we stellen dat we dankzij deze stand in de beeldende kunst -en toegankelijkheid van het zelf maken en publiseren van werk- in een tweede middeleeuwen terecht zijn gekomen. Waarbij de engelse term ‘the dark ages’ toepasselijker klinkt. Dat betekent wellicht dat we nu ook weer aan een tweede renaaissance toezijn. Een volgende stapzoud dant de drang om kwaliteit kunnen zijn. En voor kwaliteit is de kennis van weleer een welkome factor.
Hoe beter de basiskennis van beeldprincipes, hoe sterker we met beeldtaal om kunnen gaan . Zodra we een goede kennis hebben van beeldtaal , kunnen we ook beter beeld manipuleren en vervaardigen om onze boodschap krachtig over te brengen.

Daarom is het goed om naast de technische skills en kennis een goed besef te hebben van de mate waarin beeld onze emoties beinvloed. Een besef van wat beeldtaal nu precies is en hoe we dat in kunnen zetten.

D.I.Y.